Om te weten hoe het Staatse leger eruit zag, zijn we voor een groot deel afhankelijk van schilderijen en prenten.  En voor een kleiner deel van bewaarde leger voorschriften. Beide zijn zelden helemaal eenduidig. Bij afbeeldingen heb je menig maal te maken met een grote artistieke vrijheid van de kunstenaar. Bij bronnen op schrift is vaak onduidelijk wat er precies bedoeld wordt met bepaalde benamingen voor bijvoorbeeld wapens. Binnen de compagnie te voet hebben we een aantal afspraken gemaakt over hoe we er uit willen zien. Deze afspraken zijn zoveel mogelijk gebaseerd op historische bronnen. Maar kunnen bij voortschrijdend inzicht natuurlijk aangepast worden. Piekeniers in het staatse leger droegen, anders dan in het Spaanse leger, altijd een kuras met tassetten (borstplaat en rugplaat met dijplaten). En een helm. En dus is dit ook zo in de compagnie te voet. De modellen kunnen variëren, met name in de helm heb je de keuze uit een aantal modellen. Stormhoeden, morions, cabassetten, en morion-cabassetten.

Om tussen deze verschillende modellen toch een eenheid uit te stralen is het binnen de compagnie te voet verplicht om je helm en kuras te (laten) zwarten. Onder het kuras werd een ringkraag gedragen eventueel met daar aan vast zogenaamde gardebrassen (letterlijk; armbeschermers). Dit is optioneel voor piekeniers. De zwaarder gepanserde piekeniers echter worden wel altijd vooraan de linie geplaatst. Tevens is het dragen van een leren kolder, onder je kuras, verplicht binnen de compagnie.  Dit hoeft niet van zogenaamd buffel leer (0.5 cm dik runderleer) te zijn, maar van veel dunner leer. Wél moet het plantaardig gelooid zijn. Onder dit geheel droegen soldaten gewoon hun eigen burger kleding. En deze hoort dus te variëren zoals burgerkleding nu nog steeds doet.

Verder heeft iedere piekenier als zijdgeweer, een  houwdegen. Een houwdegen onderscheid zich van bijvoorbeeld het rapier, door zijn relatief brede kling. Hij is daardoor zoals de naam al aangeeft zeer geschikt voor houwende bewegingen richting vijand. Met name in het gevest zijn er diverse modellen om uit te kiezen. Optioneel is dan nog de main gauche, oftewel de linkerhanddolk. Dit wapen werd zoals de naam aangeeft gebruikt in de linkerhand, samen met de houwdegen, om mee te pareren en natuurlijk te steken. Deze dolk werd aan de rechterzij, of op de rug, schuin door de riem van het zijdgeweer gestoken.

De musketiers hebben beduidend minder bepantsering. Zij dragen alleen een helm. Er is binnen de re-enactment een langlopende discussie over het al of niet dragen van helmen door musketiers. Wij zijn er van overtuigd dat in het Staatse leger, in onze periode, het dragen van een helm door musketiers gebruikelijk was. En het is sowieso veiliger, dus dat is mooi meegenomen.

Verder dragen de musketiers, net als de piekeniers, een zijdgeweer. Hoewel deze waarschijnlijk over het algemeen van een korter model waren dan die van de piekeniers.

Musketiers hadden om hun munitie mee te dragen een bandelier, met houten laadmaten om. Het aantal laadmaatjes kan variëren van acht tot veertien. Verder hangt er een kruitfles met pankruit aan, en een leren zakje voor kogels.

Het lontslotmusket werd gevoerd in combinatie met een furket (gevorkte stok waar de loop op rust tijdens het schieten). De lengte van het furket is afhankelijk van de lengte van de musketier.

Het Staatse leger was het eerste leger waarin de modellen en de kalibers van de vuurwapens werden gestandaardiseerd.

Officieren waren herkenbaar aan, onder andere, hun wapens. Behalve de rotmeesters, die waren te herkennen aan hun krijgshaftige gezicht. De Sergeants hadden dezelfde uitrusting als de piekeniers, maar waren bewapend met een hellebaard. Verder hadden zij eventueel in plaats van een houwdegen een rapier. En hadden een oranje zijden sjerp om hun middel, net als alle andere officieren. Evenals een ringkraag. Ook zonder kuras had een officier immer een ringkraag of gorget om.

De Vaandrig was meestal een jonge edelman, was natuurlijk herkenbaar aan het vaandel van de compagnie. Daarnaast was hij uitmuntend gekleed en gepantserd. Met bijvoorbeeld een ruiterharnas, een infanterie harnas, of een zwaar runderleder kolder.  Met daarbij bijvoorbeeld een bourgondische stormhoed, of een mantelhelm. Met uitbundig gekleurde pluimen erop. Een oranje zijden sjerp om zijn middel, of schuin over de schouder, en een rapier als zijdgeweer.

Ook de luitenant was aldus gekleed, maar had als onderscheidend wapen een partizaan.